Tijdens
de expantie van de koloniale grootmachten werd Chulalongkorn onder druk
van een eventuele militaire interventie gedwongen om steeds meer
concessies te doen en aanzienlijke delen van Siamees grondgebied -ten
oosten van de
Mae Khong- aan het imperialistische Frankrijk af te staan.
In het zuiden maakten de Britten intussen aanspraak op delen van de
vazalstaten rond Penang. De
reden dat Siam uiteindelijk nooit gekoloniseerd werd is te danken aan de
terughoudende diplomatie van Siam en het feit dat de Britten en Fransen -om een onderling conflict te vermijden- tenslotte genoegen moesten nemen
met Siam als neutrale bufferstaat tussen hun kolonies
in Birma en Indo-China.
De
koloniale dreiging bracht met zich mee dat Rama V genoopt was de grenzen
van zijn rijk nauwkeurig vast te leggen. Hierdoor werd hij gedwongen het
bestuur te centraliseren en de resterende vazalstaatjes onder Siamese
controle te brengen.
Toen kroonprins
Wajirunhit (fig.)
in
1895
op zeventienjarige leeftijd voortijdig stierf, werd zijn halfbroer
prins
Wachirawut,
oudste zoon bij
koningin
Saowapha, op dertienjarige leeftijd door koning Chulalongkorn tot
de
nieuwe kroonprins benoemd.
Na
de dood van Rama V,
die in totaal 77 kinderen had, besteeg
hij
in 1910
de troon (fig.). Als
Rama VI voerde hij nog meer hervormingen door,
voornamelijk op het gebied van onderwijs en administratie. Uitgebreid
geschoold in het westen introduceerde hij het gebruik van achternamen bij
zijn onderdanen en spoorde hen aan om meer westerse gewoonten, zoals
kleding en haardracht, over te nemen. Hij wakkerde gevoelens van
vaderlandsliefde aan en begon het nationalisme op grote schaal te
bevorderen. In 1917 veranderde hij de Siamese vlag
(een witte olifant op een rood veld) door het huidige rood-wit-blauw-wit-rood,
horizontaal gestreepte vaandel,
kleuren
die symbool
zouden staan
voor de natie
(rood), de monarchie (blauw) en de religie (wit). Zijn regime was echter
nogal spilzuchtig en toen hij in 1925 bijna kinderloos stierf, was de
schatkist leeg.

Tijdens
het bewind van zijn opvolger
Prajadhipok kwam een einde aan de absolute
monarchie. Door de enorme bres die zijn voorganger in de schatkist had
geslagen raakte de economie steeds verder in het slop. Deze impasse in
combinatie met het bestaan van een oligarchisch systeem dat zelf de meest
briljante burger uitsloot van hoge posities leidde uiteindelijk tot de
staatsgreep van 1932. Een groep anti-monarchistische militairen rond de in
het Westen gestudeerde intellectueel Pridi Phanomyong greep de macht en
introduceerde de constitutionele monarchie. Ten tijde van de coup d'état
(ratphrahahn) was
Rama VII ijverig in de weer geweest met de
voorbereiding van een constitutie die wellicht beter gefunctioneerd zou
hebben dan het in naam democratische systeem dat door de leiders van de
samenzwering werd opgelegd. Maar ondanks ondertekende
Rama VII
op
10 december 1932 de grondwet die een eind maakte aan meer dan zevenhonderd
jaar van absolute monarchie.

Volgens sommigen
vervulde dit gebeuren een vloek die door koning Taksin vóór
zijn terechtstelling werd uitgesproken, namelijk dat er een einde zou komen aan
de macht van Chakri indien Thonburi, de oude hoofdstad onder het Taksin bewind,
met Rattanakosin, het stadsgedeelte waar koning Chakri zijn macht vestigde, met
elkaar verbonden zou worden. In 1932 werd voor de gelegenheid van het 150 jarige
bestaan van de dynastie een speciale brug geslagen, de zgn. Memorial Bridge, en
in datzelfde jaar kwan een einde aan de absolute monarchie.
Moderne Geschiedenis
Met de installatie van de grondwet in 1932 lag de
weg naar de democratie in principe open,
maar er volgden
nog
regelmatig
staatsgrepen waarbij
het land soms langdurig werd
geregeerd door militaire leiders en zelf dictators. De
coups volgden elkaar op en teleurgesteld deed koning
Prajadhipok in 1935
afstand van de troon.
Koning
Ananda, zoon van de broer van de kinderloze koning Prajadhipok, volgde de
abdicerende
Rama VII op. Hij zat echter nog als tienjarige jongen op
school in Zwitserland en zou pas na de Tweede Wereldoorlog definitief als
Rama VIII naar
Siam terugkeren.

In 1946, enkele maanden na zijn terugkeer, werd de jonge koning evenwel
doodgeschoten in zijn bed aangetroffen, een mysterie dat nooit officieel
werd opgehelderd. Hij werd opgevolgd door zijn jongere broer, de huidige
koning
Bhumipon Adunyadet,
die niettemin pas na zijn huwelijk met
Sirikit Kitthiyagon,
op 5 mei 1950, formeel tot koning werd gekroond. Tot dusver is hij de
koning die het land reeds het langst regeert
en heeft de kroontitel
Rama IX.
Gedurende
het interregnum werd het koninkrijk bestuurd door een regeringsraad maar
leefde het ook geregeld in de greep van militaire despoten waaronder
Phibun Songkram (fig.), die zijn inspiratie vond bij leiders als Mussolini en
Hitler, en na een machtsstrijd met dr. Pridi Phanomyong aan de vooravond
van WO II, regeringsleider werd. Terwijl maarschalk Phibun de bevolking
met ijzeren hand regeerde, veranderde hij in 1939 de naam van Siam in
'Phrathet
Thai', oftewel
Thailand (Land van Vrije Mensen), toen
allicht
een contradictio in terminis.
In 1944 werd hij gedwongen om af te treden
nadat hij in WO II de zijde van Japan had gekozen.

Even zag het ernaar uit dat er een democratisch
burgerbewind zou komen, maar door de ontstane verwarring na de mysterieuze
dood van Rama VIII, wisten de militairen via een staatsgreep opnieuw de
macht te grijpen.
In
1948 maakte ook Phibun een politieke comeback. Zijn populariteit was
echter gedaald en in 1957 werd hij via een coup uit het zadel gewipt. In mei 1950 was er reeds een poging tot een coup ondernomen, op de kaden langs
Phra Rachawang
(fig.), het
koninklijk Paleis. De premier werd toen gegijzeld en weggevoerd naar
een oorlogsschip dat op de
Chao
Phraya voor anker lag. Nadat hij door de
opstandelingen werd vrijgelaten zwom hij aan wal en werd het schip door de
luchtmacht gebombardeerd.

Vanaf
1957 werd generaal Sarit de nieuwe leider. Deze charismatische dictator
voerde vele hervormingen door en consolideerde het centrale bestuur. In
1963 stierf hij aan een leverkwaal.
De
hoge militairen Thanom, Praphat en Narong namen de macht over en vestigden
een dictatoriaal bewind dat tien jaar zou duren. De infrastructuur van het
land ontwikkelde zich, maar de werkloosheid op het platteland nam
dramatische vormen aan, waardoor velen naar de hoofdstad vluchtten.
Toen
in 1973
bij studentendemonstraties tegen de militaire regering enorme slachtingen
onder de bevolking werden aangericht, koos koning
Bhumipon de zijde van
het rebellerende volk, en maande
in een televisietoespraak
aan tot kalmte. Thanom en Praphat ontvluchtten het land en een
democratische coalitieregering werd geïnstalleerd.
De
drie volgende jaren werden een periode van hervorming dat
het 'Democratisch Experiment' werd genoemd. Vakbonden en nieuwe
politieke partijen werden opgericht, corruptie werd openlijk aan de kaak
gesteld.
In
oktober 1976 protesteerden studenten tegen de terugkeer van Thanom en
Praphat. Rechtse groeperingen drongen de Thammasat Universiteit binnen en
richtten er een bloedbad aan. Aanleiding was de woede geweest over een pop
die studenten hadden opgehangen en die gelijkenis vertoonde met kroonprins
Wachiralongkorn. Zesenveertig studenten stierven en bijna tweehonderd
raakten gewond. De staat van beleg werd afgekondigd en een militaire junta
nam het bewind in handen. Duizenden studenten ontvluchtten na 6 oktober
1976 de hoofdstad en sloten zich in de jungle aan bij de subversieve CPT,
de Communistische Partij van Thailand.
Er
volgden nog twee staatsgrepen, waarna onder het bewind van generaal
Kriangsak Chomanan weer wat ruimte ontstond voor democratie. In 1980 werd
hij gedwongen af te treden en werd opgevolgd door Prem Tinasulanonda,
toenmalig opperbevelhebber van het leger. Onder zijn bewind kwam aan de
communistische dreiging in eigen land een einde en maakte de economie een
sterke groei door.

In
1988 werd het roer overgenomen door Chatichai Choonhavan, de eerste
democratisch verkozen premier. De economie bleef groeien, maar de invloed
van de militairen in de politiek ging achteruit en in februari 1991 volgde
de zoveelste coup, ditmaal onder leiding van generaal Suchinda Kraprayoon.
De militairen installeerden een regering met Ananda Panyarachun als nieuwe
premier.
Op
22 maart 1992 leverden nieuwe verkiezingen een overwinning op voor de pro-legerpartijen
en Narong Wongwan werd de nieuwe premier. Maar te midden van
beschuldigingen dat Narong betrokken zou zijn bij de Thaise
drugshandel, gebruikten de militairen hun grondwettelijk prerogatief om
Narong te vervangen.
Op
vijf mei begon de populaire oppositieleider Chamlong Srimuang van de
Palang Dharma Partij een hongerstaking als protest tegen generaal Suchinda
Kraprayoon, die ondanks alle beloften dat het niet zou gebeuren, in april
toch premier werd.
Hoewel Chamlong zijn actie enkele dagen later staakte, bleven de protesten tegen
Suchinda doorgaan. Toen demonstranten massaal op de regeringsgebouwen
afmarcheerden greep het leger in en opende het vuur op de menigte. Een
vijftigtal mensen verloren het leven en honderden oppositieleiders, waaronder
Chamlong, werden opgepakt.
Een
dag later kwam het opnieuw tot hevige botsingen toen de militairen op de
naar schatting 35.000 demonstranten schoten. Zo'n tweeduizend betogers die
zich in het Hotel Royal hadden verschanst werden op hardhandige wijze
gearresteerd en afgevoerd.
Grote
doorbraak kwam er door bemoeienis van koning Bhumipon. Alle betogers,
onder wie Chamlong, werden vrijgelaten en Suchinda en Chamlong werden
gezamenlijk door de koning ontvangen, die hen opdroeg een uitweg te vinden
uit de politieke crisis. Generaal Suchinda werd berispt omdat hij gefaald
had politieke problemen vreedzaam op te lossen.
Nadat koning
Bhumipon amnestie beloofde aan alle betrokken partijen, nam
Suchinda op 24 mei ontslag als premier en op 10 juni benoemde de koning
Ananda Panyarachun opnieuw tot premier, ditmaal ad interim. Vier maanden
later, op 13 september, vonden nieuwe parlementsverkiezingen plaats
waarbij deze keer de anti-militaristische partijen grote winst boekten.
Zij legden in totaal beslag op 185 van de 360 zetels, voldoende om een
regering te vormen.